- zondag 28 april 2024
Meestal volstaat een praatje van tien minuten al om van iemand te kunnen zeggen of hij talent heeft als melker of dat het een prutser is en dat ook zal blijven. Je kan de laatste nog zulke goede duiven geven, ze zullen er niets mee doen. Ze zien het niet, blijven dezelfde fouten maken.
De meest gemaakte fout is misschien wel misbruik van medicijnen.
Een geluk is dat veel van die mannen toch plezier in duiven blijven houden, ondanks zo veel ‘tegenslagen’.
‘Tegenslagen’ dus tussen aanhalingstekens want dat zijn het zelden. Wel de gevolgen van eerder gemaakte eigen fouten. Daar tegenover staan de mannen die goed speelden vanaf het moment dat ze met duiven begonnen.
Die hebben ‘het’ wel.
Dient wel gezegd dat je er soms naast kan zitten in je oordeel.
Dat deed ik met name bij Bart toen die kwam zeggen dat hij, zoals zijn vader, met duiven ging spelen. ‘Jammer, maar dat wordt hem niet ging’, het door me heen.
GOED TEKEN
Diens start was weliswaar veelbelovend. Ik moest er de duiven gaan keuren/selecteren en hoewel ik er de goede ook niet uit kan halen is het tegenovergestelde makkelijker: De rommel aanduiden.
Dat probeerde ik met als gevolg dat er weinig over bleven. Dan verwacht je een teleurgestelde en tegenpruttelende beginner, maar niets er van.
Het was een beginner die zijn plaats kende, die naar goede raad wilde luisteren en niet met smoesjes af kwam om de uitgeselecteerde troep niet te hoeven verwijderen. Meestal is zo’n smoesje de pedigree/oorsprong, men kent dat.
Enfin, om een lang verhaal kort te maken; de ex-bakker werd dus geen loser of grijze muis, ik had hem verkeerd in geschat.
WEL
Of je te doen hebt met ‘een snelle leerling’ merk je vaak aan de vragen die iemand stelt. Een van de redenen waarom liefhebbers stoppen is geen prijs kunnen winnen.
En geen prijs kunnen winnen is vaak het uiteindelijke gevolg van oneigenlijk gebruik van medicijnen.
Ik kreeg meerdere malen de vraag van mensen wat voor medicijnen ze zoal in huis moesten halen als ze met duiven zouden beginnen.
‘Helemaal geen’, antwoordde ik dan.
Misschien niet goed voor mijn geloofwaardigheid maar het was wel gemeend.
Wel dient gezegd dat medicijnen en kuren net die onderwerpen waren die me in mijn beginjaren boeiden.
VROEGER
Leren, of meer leren, over medicijnen werd bijna obsessief.
Ik kon geen duivenblad open doen of ik zocht in reportages naar het tussenkopje ‘medische begeleiding’. Vooral in Die Brieftaube kwam je daarmee aan je trekken.
Omdat het idee dat je in duivensport niet zonder medicijnen kan er bij (veel) Duitsers zo diep zat ingeworteld.
Duitsers die hier duiven kwamen kopen (waar zijn ze gebleven) hadden veelal twee hoofdvragen
-‘Welche Rasse haben Sie?’ en
-‘Was gibst du den Tauben?’
Ontelbaar veel uren sleet ik met lezen over ziektes en medicijnen. Het minderde wel toen ik kind aan huis werd bij de Janssens en Klak en er nooit anders zag dan ‘oer gezonde’ duiven. Maar met woorden als ‘trichomonen’ moest je er niet af komen.
LEREN
Nadat redelijk bekende dierenartsen zich lieten ontvallen dat in hun opleiding duiven amper of niet aan bod kwamen raakte ik per toeval in contact met wetenschappers die interesse hadden in duiven. Het was in de tijd dat duiven nog redelijk economisch belang hadden, wat minder werd naarmate het liefhebbersbestand slonk.
Dat was ook de reden waarom Janssen farmaceutica stopte met het op de markt brengen van medicijnen als spartrix, spartakon enzovoorts.
De wetenschapper die daar over duiven ging kende ik redelijk goed en ook Dr. Lemahieu. Een autoriteit met wie H v B en ik vele uren over gezondheidsproblemen bij duiven babbelden. Als die zo groot waren dat geen enkele dierenarts je nog kon helpen, was hij er. Althans, die naam had hij.
CONTACTEN
Volgens Jan H was Prof van Grembergen, de man van de gele druppels, fan van mijn stukjes. Met hem had ik goede contacten alsook met ‘grote pieten’ op ‘duivengeneeskundig gebied’ aan de Universiteit van Gent.
Dr. Devrieschere was een van de grootste.
Ook met Dr. Stam werd geregeld gebeld. Als fervente rokers hadden we elkaar gevonden in Tokyo, Olympiade 1981.
Dr. Stam was, denk ik, de eerste Nederlander die Suanovil onder de aandacht bracht. Oudere Nederlanders herinneren zich mogelijk nog diens ’s en a poeder’. (Suanovil en Aureomycine).
Eens hoorde ik van iemand van de Universiteit van Gent zo iets bizars dat het werd opgeslagen tot in de diepste spelonken van mijn geheugen.
De in duiven geïnteresseerde wetenschapper: ‘Duivenmelkers oppassen met kuren. Duiven krijgen die ziektes waar ze het meest tegen gekuurd worden.’
PRAKTIJK
Als liefhebbers het Antwerpen over medicijnen hebben is dat vaak over ‘iets tegen de koppen’. ‘Tegen de koppen’ slaat nergens op, maar zo zeggen ze het.
En ze kuren maar. En waar zie je vooral problemen? Daar!
Eenzelfde verhaal in Duitsland.
We willen allemaal graag ‘superduiven’ en wetende dat men die niet komt brengen kon W en mij ons enkele jaren terug geregeld vinden op hokken van vooraanstaande ‘Vlamingen’. Sommigen waren openhartig en wat bleek? Bijna stuk voor stuk kuurden ze tegen coccidiose. Dat bleek nodig ook, want bijna allemaal hadden ze er last van.
‘Ze moesten wel kuren. ‘Maar… was dat vanwege zieke duiven of werden duiven makkelijk ziek door het vele kuren?’
Nog twijfel ik aan het antwoord. De kip of het ei.
Overigens zit de schrik voor antibiotica er nu wereldwijd goed in en wordt de ene na de andere uit de handel genomen.
STICHTEND VERHAAL
Laten we die antibiotica AB noemen. Meneer AB.
En al die ziekteverwekkers, pathogenen, gaan we Pat Hogeen noemen.
Een botsing tussen die twee, AB en Pat kon niet uit blijven
AB sloeg Pat dermate hard tegen zijn kanis dat die stijl achterover sloeg. Morsdood. Dacht men, want na enige tijd krabbelde Pat overeind, wel hevig aangeslagen.
Weer wat later kreeg hij van AB opnieuw een oplawaai.
Opnieuw ging hij neer maar weer herstelde hij zich. Nu zelfs iets sneller.
AB wist van geen ophouden tot het moment kwam dat Pat niet meer neer ging en overeind kon blijven.
Hij schudde zich als een hond die uit het water komt, zette zich recht en nu was het Pat die een mokerslag uitdeelde.
En dit was een goede. Het lukte AB amper weer overeind te komen.