- zondag 15 februari 2026

2018: PROBLEEEM MET CARLA
Regelmatig vragen mensen me naar mijn hondje.
Maar ‘Carla’, zo heette ze, is al lang niet meer.
Carla was ook de naam van een voormalig lief, maar gelukkig heeft mijn vrouw geen last van het Othello syndroom.
Het onheil begon op de dag dat Carla zich vreemd ging gedragen. Die blafte als hij moest blaffen, tot daar alles dus in orde, maar… hij blafte ook als hij niet moest blaffen. Menig bezoeker werkte dat zodanig op de zenuwen, dat die het overbekende 'fuck you' gebaar naar haar maakte.
Carla keek zo’n man dan vragend aan, begreep het duidelijk niet.
Toen kwam de dag dat hij niet meer blafte. Ook niet als er bezoek was. Een hond die niet kan of niet wil blaffen vond ik problematisch, dus moest er iets gebeuren.
KNETTERGEK
Ik pakte de Gouden Gids, zocht bij de 'd' van dierenarts en stuitte op dr. dHondt. Leek me een betrouwbare naam voor een dierenarts en ik met Carla naar hem toe.
In de wachtkamer zat een man met een parkiet.
Carla had geen belangstelling voor hem, noch voor de parkiet, en dat gold ook voor mijn persoon. Toch groette ik hem beleefdheidshalve.
'Is uw parkiet ziek?'
'Ik peins het', zei hij met zo'n ongeneeslijk Antwerps accent. 'Hij fluit niet meer.'
'Ach zo' zei ik, 'en wat is de reden?'
'Om dat te weten, ben ik juist hier' zei de man.
‘Misschien is hij het fluiten gewoon beu' zei ik.
'Onmogelijk. Parkieten fluiten, dat zit in de natuur. En wat mankeert je hond?' vroeg die kinkel, want een kinkel vond ik hem inmiddels.
'Geen idee' zei ik. 'Ik ken niks van honden. Van vogels een beetje.'
'Bij mij is het omgekeerd' zei de man. Toen werd die binnen geroepen. Hij blèèf maar weg. 'Waar blijft die loser met zijn zwijgparkiet?' vroeg ik me af.
Het kan toch niet zo lang duren om zo'n bos pluimen weer aan het fluiten te krijgen?
Wat ik zou doen? Hem een kwaadaardige kat voor zijn kanis houden; hij zou wel gaan fluiten. Toen kwam iemand met een duivenmand binnen.
WEER EEN
Hij keek naar mij en toen naar Carla.
'Is dat Uw hond?' vroeg die.
'Nee, mijn goudvis', smaalde ik. Die had pijn aan zijn rechter teen, ik gooide een bruistablet in het water en toen was het opgelost.
'Opgelost? Waarom zit je dan hier?’ vroeg de man.
'Ik bedoel de bruistablet’, zei ik. Peinzend keek hij naar mij (‘vreemde kerel’) en naar Carla (‘rare hond’). 'Bijt hij?'
'Jeetje, nog zo een', ging het door me heen. 'Alleen als hij eet en soms in mijn pantoffel' reageerde ik en vroeg 'wat mankeert Uw duif?'
'Geel, ik snap er niets van, het gaat maar niet weg.’
'Laat eens zien?'
'Heb je dan verstand van duiven?'
'Meer dan van honden’, zei ik en bekeek de duif. 'Die heeft geen geel maar difterie.’ Ik legde het verschil uit. Hij: ‘Dank je. Ik weet genoeg.’ En weg was ie.
WEER EEN
Weer iemand met een duif.
'Problemen?' vroeg ik.
'Niet echt' zei de man koeltjes.
'Wat doe je hier dan?' was mijn reactie. Hij geeuwde, maar begon toch te vertellen.
'Deze doffer komt meestal met een gehavende kop van de vlucht. Zodanig dat ik hem soms weken thuis moet houden.’
'Ik kan je even goed helpen’, zei ik. ‘Doe voor het inmanden wat Haarlemmerolie op de kop of geplette knoflook. Dat goedje stinkt zo dat het af stoot en je duif niet meer gepikt wordt. Het is wel niet wetenschappelijk onderbouwd, maar wel in de praktijk bewezen.’ Hij knikte en ook hij verdween stiekempjes.
Het leek mijn dag, weer een duivenliefhebber.
'Is dat je hond?' begon ook hij.
'Nee, mijn tuinkabouter. Die heeft keelpijn' sneerde ik, 'en wat is jouw probleem?'
'Ik wil weten of mijn duiven Coli hebben.'
Ik weer: ‘Kom je daarvoor? Wat verwacht je hier, behalve een forse rekening?' Je duiven hebben absoluut Coli, dat hebben ze allemaal.’ ‘Dus kan ik hier eigenlijk niets komen doen?' 'Nog minder', zei ik en weer een visite minder voor dr. D’Hondt.
VOLGENDE
Het kon niet op. Nu een duivenmelker die me kende.
'Snap jij zo iets? Ik heb een duif die het hok niet uit wil.’
'Laat eens zien’, zei ik.
Ik drukte lichtjes op beide neusdoppen, de duif reageerde met hevig niesen.
'Een soort verkoudheid' zei ik, 'ken je die wattenstaafjes? Je moet er een diep in de keel steken. Dan kom je bij de larynx uit. Als het staafje bloederig wordt, ben je zeker, een soort verkoudheid. Drie dagen twee druppels Baytril, een half tabletje mag ook, en hij vliegt weer.' Kennelijk klonk ik overtuigend, want ook hij was weg.
DE PARKIETMAN
‘Ben jij zo’n kenner? Jij zit toch ook hier bij een dierenarts?’
‘Voor mijn hond ja. Van honden ken ik niets.’
‘Abonneer je dan op een honden blad.’
‘Geen domme vent’, dacht ik en vroeg wat hij van mijn hond vond.
‘Niets mis mee, gewoon harstikke oud', zei hij.
Die avond zat Carla weer op mijn schoot. Ik streelde haar liefkozend.
Ze veerde overeind, de kop richting mijn mond en met de tong uit de bek.
‘Af Carla’, zei ik. ‘Zo iets deden we een halve eeuw terug.’
Haar trouwe ogen keken me zo niet begrijpend aan, dat ze me deden smelten en ik haar liefdevol op haar voorhoofd kuste. Het zou de laatste keer zijn.
GELIJK
Kort daarop is ze ingeslapen. Met mijn toen zesjarige kleinzoon groeven we een gat achter de rododendrons. Hij legde er een doek in, zodat ze zacht zou liggen en toen, zand er over. Even later kwam hij met zijn korte beentjes aan lopen met twee latten, een hamer en een spijker. Ik had hem nog nooit met een hamer gezien. Nu is hij veertien, herinnert zich van toen alleen nog de rododendrons en ik die traan die langzaam over zijn wang rolde toen hij het zelfgemaakte kruis in de grond stak.





































